70ste Jaarweek v. Daniël

U kunt deze Bijbelstudie gratis downloaden: Klik hier.

Ev. H.A.Herbold

Aantekeningen bij de studie van de 70ste Jaarweek van Daniël.
(Daniel 9:25-27)
“Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeenzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden. En na de tweeenzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is. En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.”

Uitleg: Voor Israël zijn er 7 jaarweken (iedere jaarweek is 7 jaar = 49 jaren) bepaald, vanaf het moment waarop Daniël de profetie ontving tot het herstel van de toenmalige Joodse tempel. Daarna zullen er nog 62 jaarweken volgen (=434 jaren) tot de komst van Jezus, Zijn geboorte, sterven aan het kruis en hemelvaart. Daarna stelt God een intermezzo in (pauze) d.i. een speciale periode tussen de 69ste jaarweek en de laatste, d.i. de 70ste jaarweek. Het doel van deze periode is, om de heidenen te roepen tot bekering. God zal een gemeente vormen uit de heidenvolkeren, als een bruid, voor Zijn Zoon Jezus Christus. Deze gemeente (bruid) zal eerst weggenomen moeten worden van de aarde, waarna het plan van God met Israël weer begint, namelijk 70ste jaarweek.

De 70ste jaarweek van Daniël duurt 7 jaren en is de periode waarop:

  1. Israël tot bekering komt, zij zullen eerst de antichrist binnenhalen als de messias, maar later inzien bedrogen te zijn. (Lees Rom.11: 25-36, Ezech. 36:22-28, Openb.7:1-8)
  2. Een groot deel van  z.g. naam christenen (Openb.3:1-5) tot bekering komen (Openb.7:14)
  3. De wereld geconfronteerd wordt met de antichristelijk overheersing en zijn totale heerschappij over de wereld. In de laatste helft zal niemand kunnen kopen en verkopen zonder het teken 666 (Openb.13:18)
  4. De wereld het evangelie zal horen doormiddel van, engelen (Openb14:6) en doormiddel van het getuigenis van de twee getuigen (Openb.11)
  5. Er zal één totale wereld religie komen, die dwangmatig aan iedereen zal worden opgelegd. (Openb.13:15,16)
  6. De put des afgronds gaat open en de wereld zal door occulte demonen overspoeld worden. De z.g. New Age leer zal grote vat krijgen op miljoenen mensen. (Openb.9:1,2)
  7. De wereld zal geteisterd worden door enorme rampen, op gebied van epidemiën, natuur en milieurampen, zelfs vanuit onze atmosfeer zullen er komische rampen de aarde treffen. Dit geeft grote angst onder de volkeren.

Er is maar één uitweg, vlucht naar Jezus. Alleen zij die in de schuilplaats van God zijn, zullen echt veilig zijn, want:

1. De Gemeente wordt van de aarde weggenomen, voor de oordelen van de grote verdrukking over de wereld losbreken, lees:
(Openb.3:10-13) Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten, zal ook Ik u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken hen, die op de aarde wonen. Ik kom spoedig; houd vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme. Wie overwint, hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de naam mijns Gods en de naam van de stad mijns Gods, het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel nederdaalt van mijn God, en mijn nieuwe naam. Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.

2. De gemeente moet dus de Heer Jezus blijven verwachten en niet de grote verdrukking (zie schema).

  1. Titus 2:13: waarbij wij verwachten de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en onze Zaligmaker, Jezus Christus.
  2. 1Thes. 1:10: en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Die Hij heeft opgewekt uit de doden, namelijk Jezus, Die ons verlost van de komende toorn
  3. Filip. 3:20-21: Want wij wandelen als burgers van het Rijk der hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus. Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig wordt aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen aan Zichzelf kan onderwerpen.

De leer van de Opname van  gelovigen vóór de Grote Verdrukking houdt de verwachting van de wederkomst LEVENDIG en INSPIREERT het. Anders zouden we louter op voorafgaande tekenen wachten, waardoor de verwachting verkoelt. Nu moeten wij waken en de Heer volhardend verwachten, lees Op 3:3, 10

3. De Heer redt de Gemeente van de komende toorn, lees: 

  1. 1Thes. 1:10: en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Die Hij heeft opgewekt uit de doden, namelijk Jezus, Die ons verlost van de komende toorn.
  2. 1Thes. 5:9: Want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid door onze Heere Jezus Christus.

Deze “toorn” is niet de hel. Van de hel waren de Thessalonikers reeds gered; daartoe hadden zij zich bekeerd: Joh. 5:24; Rom. 8:1. De “toorn” is hetgeen beschreven staat in Jes. 61:2; Rom. 2:5; 1:18; 5:9; 1Thes. 2:16; Openb. 6:17;11:18; 15:1. De toorn begint met het verbreken van de zegels van het oordelenboek (lees Openb. 5) vanaf Openb. 6. Wanneer die verbroken worden zien we in Openbaring de uitbarsting van het ene oordeel na het andere, steeds krachtiger. Voortdurend is er sprake van Gods toorn.


Openb.5:7-9 “En het kwam en heeft de rol aangenomen uit de rechterhand van Hem, die op de troon gezeten was. En toen het de boekrol nam, wierpen de vier dieren en de vierentwintig oudsten zich voor het Lam neder, hebbende elk een citer en gouden schalen, vol reukwerk; dit zijn de gebeden der heiligen. En zij zongen een nieuw gezang, zeggende: Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt hen voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie. ” (Openb.6:1) En ik zag, toen het Lam een van de zeven zegels opende, en ik hoorde een van de vier dieren zeggen met een stem als van een donderslag: Kom!

4. Het verschijnen van de antichrist is een van de grootste uitingen van Gods wraak (Dan 9:26-27; 2Thes. 2:8-12; Openb. 6:1).

Deze toorn duurt de volle zeven jaar, de zeventigste jaarweek. Dit alles is “de Dag van de Heer” (2Thes. 2) en het wordt de Gemeente (Bruid) bespaard.
De Bruid (gemeente)  zal in die periode met Jezus de bruidloft van het Lam vieren. (Openb.19)

5. De Heer heeft gezegd dat Hij Zijn Gemeente bewaart voor het uur van de verzoeking, lees:  
Mat. 24:36-44 leert benevens de onverwachtse komst van de Heer, ook de (onverwachtse) Opname van de Gemeente, vóór  de oordelen beginnen:

second-coming36 Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, maar alleen aan Mijn Vader. 37 Zoals de dagen van Noach waren, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. 38 Want zoals ze bezig waren in de dagen voor de zondvloed met eten, drinken, trouwen en ten huwelijk geven, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging, 39 en het niet merkten, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. 40 Dan zullen er twee op de akker zijn; de één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden. 41 Er zullen twee vrouwen malen met de molen; de één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden. 42 Waak dan, want u weet niet op welk moment uw Heere komen zal. 43 Maar weet dit, dat als de heer des huizes geweten had in welke nachtwake de dief komen zou, hij gewaakt zou hebben, en niet in zijn huis zou hebben laten inbreken. 44 Weest ook u daarom bereid, want op een moment waarop u het niet verwacht, zal de Zoon des mensen komen.

De Gemeente zal het uur van de verzoeking – de relatief korte periode van zeven jaar – niet ondergaan. Vergelijk Joh. 12:27 (“uit”).

6. De verzoeking is bedoeld voor hen die op de “aarde” wonen. De Gemeente is daar dan niet meer.

Wanneer de gemeente is thuis gehaald, begint het feest van de Bruiloft van het lam in de hemel. Dit feest is het moment waarop ook het huwelijk zal plaats vinden tussen Christus asl hemelbruidegom en Zijn gemeente als bruid, d.w.z. Hij zal zich voor eeuwig met haar verbinden en Zijn deelt voor eeuwig in Zijn heerlijkheid.

  • De opname van de bruid (gemeente).  (Mat24:38-42) Dan zullen er twee in het veld zijn, een zal aangenomen worden en een achtergelaten worden; twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen, een zal aangenomen worden, en een achtergelaten worden. Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt.  
  • De Bruiloft van het Lam. (Openb.19:7-9)   Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen. En hij zeide tot mij: Schrijf, zalig zij, die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal des Lams.
  • Het huwelijk tussen Christus en Zijn gemeente. (Efeze 5:25-32) Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord, en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zo dat zij heilig is en onbesmet.  Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn.  Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente. (lees ook Openb.10:7) (Joh.17:24)
  • Het tijdstip waarop de bruiloft begint. (Mat.25:6,7) En midden in de nacht klonk een geroep: De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet! Toen stonden al die maagden op en brachten haar lampen in orde. (Mat 25:10) Doch terwijl ze heengingen om te kopen, kwam de bruidegom, en die gereed waren, gingen met hem de bruiloftszaal binnen, en de deur werd gesloten.

7. “Het uur van de verzoeking” is de periode van misleidende werkingen van de antichrist, lees:

  1. 2Thes. 2:8-12: En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en krachteloos maken door de verschijning van Zijn komst. 9 Zijn komst is naar de werking van de satan met alle kracht, tekenen en wonderen van de leugen 10 en met alle misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. 11 En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, 12 opdat zij allen geoordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid.
  2. Opend. 13:11-14: En ik zag een ander beest opkomen uit de aarde, en het had twee horens, als het Lam, maar het sprak als de draak. 12 En het oefent al de macht van het eerste beest voor zijn ogen uit, en het maakt dat de aarde en zij die daarop wonen het eerste beest aanbidden, waarvan de dodelijke wond genezen was. 13 En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerkomen op de aarde, voor de ogen van de mensen. 14 En het verleidt hen die op de aarde wonen door middel van de tekenen die hem gegeven zijn te doen voor de ogen van het beest. En het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij een beeld moeten maken voor het beest dat de wond van het zwaard had, en [toch] leefde.

8. Met betrekking tot de Joden en de volken is geprofeteerd dat zij ‘door’ de verdrukking zullen gaan, lees:  

Jer. 30:7, 11, 14; Dan. 12:1; Amos 9:8-10; Mat. 24:1-35; Openb. 7.
Het onderscheid in Openb. 7 tussen Joodse en heidense gelovigen toont aan, dat er in die periode van geen Gemeente meer sprake is, want “daar is geen Jood of Griek”: Gal. 3:28; Rom. 10:12; 1Kor. 12:13; Kol. 3:11.

9. De 70ste jaarweek kan pas beginnen wanneer de Heilige Geest en de Gemeente weggenomen zijn, om met Jezus de bruiloft van het lam te vieren.

2Thes. 2:1-12: En wij vragen u dringend, broeders, aangaande de komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem, 2 dat u niet snel aan het wankelen wordt gebracht of verschrikt, niet door een uiting van de geest, niet door een woord, en ook niet door een brief die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag van Christus al is aangebroken. 3 Laat niemand u op enigerlei manier misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is, 4 de tegenstander die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet. 5 Herinnert u zich niet dat ik u deze dingen gezegd heb, toen ik nog bij u was? 6 En u weet wat hem nu weerhoudt, opdat hij op zijn eigen tijd geopenbaard wordt. 7 Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is. 8 En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en krachteloos maken door de verschijning van Zijn komst. 9 Zijn komst is naar de werking van de satan met alle kracht, tekenen en wonderen van de leugen 10 en met alle misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. 11 En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, 12 opdat zij allen geoordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid.

De identificatie van “Hij”, die weerhoudt, volgt uit lezing van het parallelle verslag in 1Joh. 4:1-6:

Geliefden, geloof niet elke geest, maar beproef de geesten of zij uit God zijn; want er zijn veel valse profeten uitgegaan in de wereld. 2 Hieraan leert u de Geest van God kennen: elke geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; 3 en elke geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is niet uit God; maar dat is de geest van de antichrist, waarvan u gehoord hebt dat hij komt, en die nu al in de wereld is. 4 Lieve kinderen, u bent uit God en u hebt hen overwonnen, want Hij Die in u is, is groter dan hij die in de wereld is. 5 Zij zijn uit de wereld; daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld luistert naar hen. 6 Wij zijn uit God. Wie God kent, luistert naar ons; wie niet uit God is, luistert niet naar ons. Hieraan herkennen wij de geest van de waarheid en de geest van de dwaling.

Alleen de Heilige Geest is sterker dan de antichristelijke geest. Het “wonen” van de Heilige Geest in de Gemeente (Joh. 14:17-19; 15:26; 16:7-15; 2Kor. 6:16) zal ophouden en gelijk daarmee zal ook de Gemeente worden opgenomen. Dan zal de beschermende werking van de Heilige Geest – omwille van de Gemeente – wegvallen. Dan zal er niets nog de “wetteloze” tegenhouden in deze wereld, zoals we lezen in Openb. 13:7:

… en hem werd macht gegeven over elke stam en taal en volk.

Die bescherming was de Gemeente toegezegd: Mat. 16:18: En Ik zeg u dat u Petrus bent, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.

Mat. 28:18-20: En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan heen, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.

10. Wanneer de “Parakleet” (Joh. 15:26; 16:7-15) zal weggenomen (2Thes. 2:7) worden uit de wereld zal de antichrist de weg vrij hebben.

Vóór Pinksteren was de Heilige Geest ook wel actief en werkzaam (1Sam. 10:10; 2Sam. 23:2) maar Hij “woonde” niet op aarde en was in die zin “nog niet gekomen”: Joh. 7:39; 16:13.

11. Het komende Israël-tijdperk is nadat de gemeente (bruid) van de aarde is weggenomen. 

De huidige bedeling is die van de “behoudenis van de volken” (Rom. 11:11, 25), de “andere schapen” uit Joh. 10:16. Hierna komt nog een tijdperk waarin Israël als volk opnieuw de aandacht krijgt en behouden zal worden: Rm 11:25. Met dat tijdperk heeft de Gemeente geen uitstaans en ze moet dan vooraf opgenomen zijn. In de Gemeente is namelijk “geen Jood of Griek” (Gal. 3:28). Gods doelstelling met Israël verschilt zo sterk met dat van de Gemeente, dat beide een aparte bedeling vormen. Beide bedelingen kunnen zich niet tegelijkertijd voordoen. De “bediening van de Geest” kan niet tegelijk naast de “bediening van de veroordeling” staan (2Kor. 3:8, 9). De roeping van de Gemeente is een geheimenis (Efeze 3:3-10), een tussenperiode in Gods plan voor de aarde. Zij komt door het mysterie van de Opname ten einde (1Ko 15:55). Daarna pas kunnen de vervullingen van de profetieën m.b.t. Israël weer hun loop nemen. In de 70ste jaarweek zal die oude “bediening van de veroordeling” terug worden opgenomen: Mat. 24:15-20; Openb. 11:1-3; Dan. 9:27.

Na Openbaring 3 is er geen sprake meer van de Gemeente op aarde. In Op 2 en 3 zien we de bedeling van de Gemeente, waarin “geen Jood of Griek” is. Na deze hoofdstukken is er in de Openbaring geen sprake meer van de Gemeente op aarde.

12. In de oordeelstijd van de zeven zegels, onderscheiden wij vijf aparte groepen gelovigen:

  1. De Joden die in de eerste helft van de week van Daniël, tot bekering komen en daarvoor vervolgd zullen worden door de antichrist (Openb.12:17).
  2. Gelovigen uit de volken die vóór de Grote Verdrukking (de eerste helft van de 70ste jaarweek) de dood sterven (Openb. 6:9) en die zullen opgewekt worden aan het begin van het Vrederijk (Openb.20:4).
  3. De gelovigen uit de volken die tijdens de Grote Verdrukking (tweede helft van de 70ste jaarweek) de dood sterven (Openb. 6:11) en die zullen opgewekt worden aan het begin van het Vrederijk (Openb.20:4).
  4. De 144.000 uit Israël (Openb. 7:1-8; 14:1-5) die tijdens de Grote Verdrukking bewaard zullen blijven. God zal hen als zijn getuigen en dienstknechten verkiezen (Mt 24:14) om het evangelie over de hele aarde te prediken.
  5. “Een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en alle geslachten en volken en talen” (Openb. 7:9-17), die als gevolg van de (Joodse) prediking van het evangelie van het koninkrijk en de bediening van engelen (Openb.14: 6) bekeerd worden (Mat. 24:14). Zij zijn o.a. de “schapen” die genoemd worden in Mat. 25:31-46 (daar de tegenhangers van de “bokken”) en die levend door de Grote Verdrukking heen het duizendjarig koninkrijk binnengaan13.

13. Daarnaast onderscheiden we nog vijf groepen ongelovigen:

  1. De afvallige kerk Babylon. (Openb. 14:8; 16:17-21; 17+18), het naamchristendom. Deze staat lijnrecht tegenover de Bruid van het Lam. Vergelijk Op 17:1 met 21:9. Vgl. Babylon (Op 17:5) met Jeruzalem (Op 21:2, 10).
  2. De aanbidders van het beest en zijn beeld (Openb. 14:9-11; 16:10v).
  3. De velen die door de oordelen omkomen (Openb. 6:4, 8; 8:9, 11; 9:20; 16:3, 9, 21; 17:16)
  4. Degenen die de oordelen overleven maar bij de wederkomst van Christus omkomen (Openb. 19:17-21).
  5. Degenen die ook de wederkomst overleven maar naar de hel zullen verwezen worden (Mat. 25:31-46).

Wij mogen geen enkele van de vijf groepen gelovigen verwarren met de Gemeente. Al deze groepen worden zorgvuldig onderscheiden van de 24 oudsten, die een type van de Gemeente (+ Israël) vormen. Het eerste bewijs is dat de vijf groepen zich op aarde bevinden, terwijl de Gemeente in de hemel is. Het tweede bewijs is het onderscheid dat gemaakt wordt tussen Israël en de volken, terwijl in de Gemeente geen onderscheid wordt gemaakt tussen gelovigen uit Israël of uit de volken; daar geldt geen onderscheid tussen Jood of Griek (Rm 10:12; 1Ko 12:13; Gl 3:28; Ef 2:14-19; Ko 3:11). Maar hier zijn de vroegere onderscheidingen weer gehanteerd, de typisch oudtestamentische verhoudingen.

14. Nog meer bewijzen dat gemeente niet meer op aarde is in de laatste jaarweek van Daniël.

  • In Op 1 tot 3 komt de naam “Gemeente” 19 maal voor; daarna niet meer, lees:
    De naam “Gemeente” (Ekklesia) komt in Openbaring voor op de volgende plaatsen: Openb. 1:4, 11, 20 (2x), Openb. 2:1, 7, 8, 11, 12, 17, 18, 23, 29, Openb. 3:1, 6, 7, 13, 14, 22, Openb. 22:16: Hier is de laatste maal sprake v.d. Gemeente, maar dan wel in het slotstuk, refererend naar Openb. 1:1.
  • Het DOEL van de verdrukking: Het doel van de verdrukking is “Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben” (2Thes. 2:12). “daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven” (2 Th 2:11). Christenen echter hebben hiermee geen uitstaans. Zij zijn reeds “verkoren tot behoudenis” en “geroepen”: 2Thes. 2:13, 14.
  • De zin “Als iemand een oor heeft, laat hij horen” wordt na Op 3 niet meer op de Gemeente toegepast. Deze zin wordt zeven maal aan de Gemeente gericht in Openb. 2 en 3 (2:7, 11, 17, 29; 3:6, 13, 22). In de verdrukking wordt dit herhaald in Openb. 13:10: “Als iemand een oorheeft, laat hij horen”. Deze instructie is bestemd voor de gelovigen in Openb. 13:9. Hier is een duidelijke situatie waarin de naam “Gemeente” kon worden gebruikt, maar niets daarvan!. De Gemeente is er dus blijkbaar niet meer. In Openb. 1-3 werd de naam “Gemeente” nog 19 keer genoemd; daarna niets meer!
  • De overeenkomst tussen 1Thes. 4:16, 17 / 1 Kor. 15:51-53 en Openb. 4:1, 2 welke de Opname van de gemeent uitbeeld.
1 Thes. 4:16, 17 Openb. 4:1,2
16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods neerdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 17 Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met de Heere wezen. 1 Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en Ik zal u tonen, hetgeen na dezen geschieden moet. 2 En terstond werd ik in de geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon.
1 Kor. 15:51-53
51 Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; 52 In een punt des [tijds], in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 53 Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke [moet] onsterfelijkheid aandoen.
  • Deze overeenkomst bewijst dat de Opname in Op 4 wordt uitgebeeld. Al deze Schriftplaatsen hebben het over: het roepen van een STEM, het klinken van een BAZUIN (dit is niet de “zevende bazuin”!), het OPGENOMEN worden ten hemel, het TERSTOND veranderen van de gelovige, Openb. 4:1, 2 beeldt de Opname uit, met Johannes in de rol.  Na wat hij had gezien (Op 2 en 3, “wat is”) was er plotseling een hemeldeur geopend. Dit is een heenwijzing naar de Opname. De Opname geschiedt dus ná “wat is” (Op 1:19), dus ná de bediening van de genade, voorgesteld in Op 2 en 3. De Opname geschiedt evenwel vóór de verbreking van de zegels van de oordelenrol (Op 5 en 6). In Op 4 en 5 wordt de Gemeente voltallig voorgesteld door de 24 oudsten en is de Opname reeds verondersteld.
  • Jezus’ afscheidsboodschap voor zijn volk betrof de opname in het Vaderhuis, niet het oordeel. De Heer leerde dat Hij zou heengaan met het DOEL een plaats te bereiden voor zijn volk, en dat Hij daarna zou terugkomen met het DOEL de zijnen tot zich te nemen: Joh. 14:1-4: Laat uw hart niet ontroerd worden; u gelooft in God, geloof ook in Mij. 2 In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om plaats voor u te bereiden. 3 En als Ik heengegaan zal zijn en plaats voor u bereid zal hebben, kom Ik terug en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben. 4 En waar Ik heenga, weet u, en de weg weet u. De Heer liet zijn volk de blijde verwachting na van zijn komst en de opname in het Vaderhuis. Dit was zijn afscheidsboodschap. Het was geen boodschap van oordeel over levenden, doden, volken en Israël.
  • De Gemeente wordt niet met de wereld geoordeeld. Het oordeel begint met het huis van God: 1Petr. 4:17: Want het is de tijd, dat het oordeel begint van het huis Gods; en indien het eerst van ons [begint], welk zal het einde zijn van hen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn? Maar als de Heer bij zijn Gemeente begint, dan is dat juist opdat zij niet samen mét de wereld veroordeeld zouden worden: 1Kor.  11:32: Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van de Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
  • In de Brieven zijn geen bijzonderheden te vinden over de Grote Verdrukking. Het is opmerkelijk dat geen enkele van de Brieven in bijzonderheden treedt over de verdrukkingen van de 70ste jaarweek. Blijkbaar omdat de Gemeente daar door heen gaat. Zou de Gemeente de verdrukkingen toch meemaken, dan is het redelijk om aan te nemen dat de Brieven van de apostelen ons hiervoor zouden waarschuwen, maar dat doen ze niet.
  • Gezanten worden weggestuurd voordat de oorlog uitbreekt. Christenen zijn gezanten (2Kor. 5:20) van Gods Koninkrijk. Vóórdat dit Rijk de oorlog verklaart aan de opstandige aarde, zullen haar gezanten teruggestuurd worden. Zo gebeurt dit ook bij wereldse rijken en hun gezanten. Welk nut zou de specifieke rol van de Gemeente als gezant nog hebben wanneer hun boodschap van waarschuwing achterhaald is, ten tijde van de Grote Verdrukking?! In de Openbaring zien we integendeel andere boodschappers, en met betrekking tot een geheel nieuwe fase in Gods plan: de Joodse gelovigen. Dit volk zal opnieuw Gods spreekbuis worden tot deze wereld, in de 70ste jaarweek. Zie Openb. 11.

15. Enkele tegenwerpingen uitgelegd.  

  • “Het woord ‘opname’ komt niet voor in de Bijbel”.
    Maar… dat argument gaat ook op voor het woord ‘Drie-eenheid’; toch leert de Schrift duidelijk de opname: 1Thes. 4:16-17: Want de Heere Zelf zal met een geroep, met een stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn zullen eerst opstaan. Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen weggenomen worden op de wolken, tot een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd met de Heere zijn. “In deze passage is het begrip “opname” duidelijk; in de toekomst zullen alle heiligen, de gestorvenen en de levenden, “weggenomen worden” om samen te zijn met hun Heer! Het Griekse woord voor “weggenomen worden” is harpazo, wat “weg plukken” betekend en zou vertaald kunnen worden met “opname”. Dus is het woord opname een woord uit de schrift (niet zomaar een vertaling)”. Paulus geeft nog een andere aanwijzing voor de opname: 1Ko 15:51-52: Zie, ik zeg u een geheimenis: Wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen wel allen veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin. Immers, de bazuin zal klinken en de doden zullen als onvergankelijke mensen opgewekt worden en ook wij zullen veranderd worden.
  • “De ‘laatste bazuin’ (1Kor. 15:52) komt overeen met de 7de bazuin in Openbaring” .
    In 1Kor. 15:52 spreekt Paulus van een veranderd worden ‘met de laatste bazuin’. Velen stellen dat dit de zevende bazuin is van Openb. 11, en dat daarom de opname midden in de grote verdrukking valt. De ware betekenis van ‘de laatste bazuin’ eist kennis betreffende het Joodse begrip ‘Dag des Heren’ welke negentien keer wordt gebruikt door acht Oud Testamentische profeten. Dit was de toekomst-tijd wanneer God tot de strijd zou keren. Hierbij zou er geblazen worden op een bazuin – de Joodse Sjofar (Joël 1:15; 2:1, Zefanja 1:14-15). Inderdaad, de term ‘laatste bazuin’ toont geen opname tijdens de grote verdrukking omdat het verwijst naar het beginnen van de allerlaatste strijd in deze tijd – het begin van de verschrikkelijke Dag des Heren – de grote verdrukking zelf”.
  • “Verdrukking is normaal voor christenen”.
    Velen verwijzen naar Johannes 16:33: “In de wereld zult gij verdrukking hebben” – dus geen ontsnapping aan de grote verdrukking. De breuk in deze logica is echter dat de grote verdrukking geen periode is van vervolging. Het is een tijd waarin God’s toorn wordt uitgegoten over de aarde. Tijdens deze tijd zullen mensen de bergen en de rotsen smeken, “en zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam; want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?” (Openbaring 6:16-17). Wanneer Christus terugkomt, “Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige”. (Openbaring 19:15)”. “2 Thessalonicenzen impliceert de Opname IN de Dag van Christus, niet ervoor”. 2  Thess. 2:1-2 kan (maar dat hoeft niet) de indruk wekken dat de Opname en de Dag van Christus niet kunnen komen voordat de “afval” en “de mens der wetteloosheid” (Antichrist) gekomen zijn. Sommigen menen dus dat de Gemeente deze afval en de antichrist nog geopenbaard zullen zien.
    2Thes. 2:1-2: En wij vragen u dringend, broeders, aangaande de komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem, 2 dat u niet snel aan het wankelen wordt gebracht of verschrikt, niet door een uiting van de geest, niet door een woord, en ook niet door een brief die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag van Christus al is aangebroken. 3 Laat niemand u op enigerlei manier misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is, 4 de tegenstander die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet. 5 Herinnert u zich niet dat ik u deze dingen gezegd heb, toen ik nog bij u was? 6 En u weet wat hem nu weerhoudt, opdat hij op zijn eigen tijd geopenbaard wordt. 7 Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is. 8 En dan zal de wetteloze geopenbaard worden
    Paulus corrigeerde de Thessalonicenzen in hun misvatting dat de Dag van Christus al gekomen zou zijn: die kon nog niet gekomen zijn, vermits 1° de Wetteloze (Antichrist) er nog niet was (vs. 3-4), en 2° omdat zijn Weerhouder, de Heilige Geest, nog op aarde was (volgende verzen). Hieruit blijkt al de juiste volgorde: eerst verdwijnt de Weerhouder (en dus samen daarmee de Gemeente), en daarna komt de openbaring van de Antichrist.

Bestudeer in dit verband ook het eindtijdscenario, klik hier